Esther Gerritsen schrijft iedere week een stukje in de VPRO gids. Parels. Stuk voor stuk. Natuurlijk, de een parelt meer dan de ander, dat is ook waar. Deze week genieten we van het stukje ‘Nu’. Er gebeurt in dat stukje wel heel veel. Dat pleit er tegen. Maar die ene zin maakt alles goed. Ze schrijft:

‘Ik zag mijn dochter appels plukken.’

Gerritsen schrijft ook mooie gedichten. Ze onderkent dan ook de schoonheid van de zin. Het beeld. Het metrum. In plaats dat ze vervolgt met een betoogje over poëzie, mijmert ze per pen over de zin en onzin van het maken van een foto en de moeite die het kost om af en toe géén foto te maken.

De zin zou natuurlijk ook een prachtige openingszin zijn van een ietwat idyllisch gedicht. Het speelt zich af in een boomgaard. Er is een ik-figuur, er is een dochter, er is een oma. Drie generaties. Vergankelijkheid ligt op de loer. En dan is er die eeuwige foto die per definitie de idylle verknoeit. Die vastlegt wat je niet kunt vastleggen.

Gerritsen schrijft: ‘Ik heb die plaatjes eigenlijk niet eens nodig. Mijn hoofd legt het al vast.’

En wat legt dat hoofd vast?

‘Haar vlechten. Als ze naar school rent met de hond. Als ze hand in hand loopt met het buurmeisje. Als ze leest. Haar veel te grote rugzak op haar rug, met knuffels die aan de rits hangen. Als ze terugkomt van fietsen met opa.’

Was ik maar dichter. Ik ben lezer, en ik hoop dat Gerritsen die beelden en die ene zin nog een keer tot een gedicht versmelt.

Lees het stukje zelf in de VPRO gids van deze week

No Comments

Leave a Reply