Het was – Nederlandse lezers weten het – gisteren de warmste februaridag ooit. En dus zat ik tussen de middag voor het huis met mijn boterham met kaas en mijn kopje koffie. Schaamteloos. Hoewel. Enige gêne is er nog wel. Ik zit voor een groot en mooi huis op de mooiste plek van Groningen op een heerlijke stoel met een onovertroffen kopje koffie en vers brood met lekkere kaas; wat zullen de mensen wel niet denken?

Tegelijkertijd realiseer ik me ook dat de mensen niet zoveel denken. En de mensen die denken, zijn veelal op weg naar het hotel of komen daar net vandaan.

Wie ook niet denken zijn de scholieren die in cortège over ons kerkhof trekken als het pauze is. Ze zijn op weg naar de winkel, op weg naar hun lunch. Chips, koeken, broodjes. Bent u toevallig vader of moeder van een kind op het Werkman of het Praedinius? Geef ze geen brood mee. Dat mieteren ze onverbiddelijk in de prullenbak. Er zijn er maar heel weinig die met hun broodtrommel mee lopen in de optocht.

Maar ze zijn er. Ik wil graag aan hen mijn respect betuigen. Ze lopen mee, maar het zijn geen meelopers. Ik zou het niet gedurfd hebben, zou ik nu daar met al die andere scholieren in de klas hebben gezeten. Hulde voor de broodtrommeldragende scholier. Nog even en ze zijn uit het straatbeeld verdwenen. Net zoals de voddenman, de melkboer, meneer die de vuilnisbakken schoonmaakt of de ijsventer achter zijn bakfiets met steekijs en koperen bel. Hoewel die laatste misschien een doorstart zou kunnen overwegen.

Leave a Reply