In Parijs brunchten we zondagochtend bij opa en oma. Twee kleine oude mensen, vergroeid met hun huis, vergroeid met elkaar. Ze wonen er op de 6e verdieping tussen het gebinte van hun kleine zolderappartement met uitzicht over de beregende, glinsterende zinken daken van hartje Parijs. Eén wand vol boeken. De andere wand dat uitzicht. Hij klein, ietwat krom, ietwat broos en bijzonder kwiek, zij klein maar duidelijk wat sterker en jonger.

Ze scharrelden getweeën in volstrekte harmonie de maaltijd bijeen. Kaas, druiven, broodjes, gekookte eitjes, compote, koffie, zelfs wat worst voor de kinderen. Er was veel veel zorg aan besteed. De ene kaas kwam uit een bergdorpje in Vogezen. Zacht, omhuld in kastanjeblad. De andere kaas kwam uit een dorpje in Baskenland, het gebied waar zij ooit is geboren. Hij deed de compote. De appels daarvoor kocht hij op de markt een paar kilometer verderop. De jam was haar afdeling. Ze maakte die zelf, ook met fruit van de markt.

Via een opstapje klom ze op een hoge stoel om van een horizontale balk in de nok een speciale pot jam te pakken. Ze stond op haar tenen en strekte zich uit. Hij stond achter haar, voor als ze zou vallen.

Leave a Reply