Mijn vrouw zou tussen de middag best thuis kunnen komen voor een kopje soep, een warme maaltijd en een middagdutje. Maar ze komt tussen de middag niet thuis. Te druk. Sinds een maand of 8 lijkt dat iets te veranderen. Op de een of andere manier blijkt ze juist op donderdag eigenlijk best thuis te kunnen lunchen. En dat heeft niets met mij te maken of mijn soep, en alles met ons Lasse.

En geef haar eens ongelijk. Want zijn gouden uur is toch echt de lunch. Hij heeft er dan een degelijke dut op zitten, zin in het leven en trek.

Wie hem dan zijn broodje pindakaas mag geven is een gelukkig mens.

We snijden dat broodje in een stuk of 12 hapjes en schikken die hapjes gezellig op een bordje. Eén hapje schuiven we wat naar voren waarna we Lasse het bordje voorhouden. Soms aarzelt hij even. Er liggen daar op dat bord allerlei verleidelijke hapjes. Is dat vooruitgeschoven hapje inderdaad de beste keus? Maar meestal grijpt hij onvervaard dat ene eenzame hapje bij de kladden. Met zijn hele vuist omvat hij het en zet het aan de mond. Met zijn vingertjes wurmt hij het broodje naar binnen en er weer uit. In de handjes vermengt zich spuug met brood en pindakaas tot een soort antediluviale oersoep die hij met diezelfde vingertjes weer naar binnen werkt. Dit alles stralend van geluk en blijdschap en zin en liefde voor het leven en de broodverstrekker.

Het allermooiste moment komt pas als je hem de beker melk aanreikt. Hij omvat de beker met beide handjes, zet ‘m aan de mond en klokt hem leeg, ad fundum, met dezelfde gretigheid waarmee zijn overgrootvader, grootvader en vader zich een glas jenever aan de mond zetten. En dan die verzaligde diepe zucht. ‘Ah. Ja. Is er meer?’

No Comments

Leave a Reply