Ik hervond in de la een schriftje dat ik in 1980 mijn moeder voor Sinterklaas cadeau deed. Compleet met allerlei recepten die ze van haar lang zou ze leven nooit en te nimmer ooit zou maken. Soesjes met spinazie bijvoorbeeld. Of crêpes met vis en kervel-roomsaus. Ze kon er ook zelf nieuwe gerechten in opschrijven. Bij de verhuizing had ik het al even ingekeken en maar weer fluks terzijde gelegd. Ditmaal bekeek ik het beter.

Ik – van jongs af aan gezegend met een messcherpe moraal – gaf het schriftje als titel mee ‘Wij leren koken; de weg naar de betere keuken’. En op pagina 1 schreef ik: ‘Jawel, we gaan eens een voorafje maken!’ Het was ongetwijfeld als kwinkslag bedoeld, denk ik nu, maar zomaar een kwinkslag, dat bestaat niet, leerde Freud ons.

Mijn arme moeder, ze was geen enthousiaste kok. Ze kookte gewoon niet graag. Als we het over het avondeten hadden, verwees ze er naar door het noemen van de groente. Andijvie, spinazie, bietjes. Wij wisten dan kennelijk genoeg. Andijvie? Dan aardappelen en gehakt. Spinazie? Dan aardappelen met een ei. Enzovoorts. Het was – de stampotten uitgezonderd – altijd een drieslag. A +B + C.  Mijn lieve grote zus sprak schamper over die C als “het derde ding”. Uit haar mond klonk dat ronduit smerig.

En toen kwam ik met dat schriftje. Je voedt je kinderen op en dan gaan ze vervolgens denken dat ze jou wat bij kunnen brengen. In zekere zin kan je de opvoeding dan als geslaagd beschouwen.

Op de foto een illustratie die mijn toenmalige vriendin maakte. 

Leave a Reply