Ik rende langs het Reitdiep, nog in de stad,  over het fietspad, richting het Noorden. Achter me kwam een fietser aan. Ik hoorde hem van ver komen. Hij praatte hardop in zichzelf. Troostende woorden. ‘Ja, ja. Nog even,’ sprak hij zichzelf moed in, ‘nog heel even, dan zijn we thuis.’

Ik begrijp dat wel. Wie de hele dag alleen thuis is, zal het herkennen. Je gaat in jezelf praten, je gaat tegen jezelf praten. Maar zo schaamteloos liefdevol? Dan ben je wel heel erg alleen met jezelf. Ik had wat met hem te doen. Hij passeerde. Een gewone meneer op een gewone fiets.

Even later zag ik hem weer. Hij was thuis. Onder de carport stond een mevrouw. Zijn mevrouw, zo leek het mij. Ze zoenden elkaar. Toen haalde hij uit het mandje voorop de fiets een hondje. Jankend van vreugde klom het beestje in de armen van het vrouwtje.

Die vluchtige blik, die eerste indruk. Nadere beschouwing maakt veel kapot.

No Comments

Leave a Reply