Eigenlijk ken ik maar twee boeken over het opaschap. Tsjip, en het vervolg erop, De Leeuwentemmer. Willem Elsschot schreef ze. Hieronder het slot van Tsjip. Dochter Adele heeft haar zoon Jan gebaard in Polen. Moeder (oma) kent Jan al: zij is is een aanpal maanden wezen bakeren. Nu komt Adele haar zoon tonen aan haar vader. Adele komt juist aan van het station en is ontvangen door moeder en broer en zus. Plaats van handeling: het vakantiehuis aan de kust.

Nu is mijn tijd gekomen. Ik werk mij los uit het groen en wandel rustig op hem toe. Zijn grootmoeder draagt hem op den arm en Adele, die mij ziet aankomen, groet mij niet eens. Zij heeft mij begrepen en houdt een oog op ons eerste contact zooals zij in die kliniek een oog hield op de baker toen die het waagde haren pas gebaarden zoon aan te raken.

Zoo staan wij dan tegenover elkander. Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter. Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm te zitten.
– Neem een doek, zegt mijn vrouw, maar wij zijn reeds op weg.
Wij wandelen den tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak. Op Willem’s veld wordt hij door onze musschen begroet. Ik blijf staan en zeg ‘Tsjip’. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach.
Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Je komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdoopen, vind ik.
Ik ga met hem rond en toon hem al dat moois: de zonnebloemen, de boomen, de erwten en de aalbessen. Zelfs de aardappelen worden niet vergeten. Zijn linkerhandje ligt in mijn hals en met het andere pakt hij naar het groen, naar de bloemen en naar mijn neus.
Als hij hem eindelijk beet heeft is ons verbond gesloten. Tsjip en ik zijn gezworen kameraden. Samen zullen wij door dik en dun gaan, ik voorop. En ieder krijgt zijn werk. Terwijl ik de doornen kap kan hij de bloemen plukken. Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet van wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstooten; dat hij niet bukken mag voor ‘t geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en grooten tot brij te vertrappen. Ik zal met hem het lied der bevrijding aanheffen en zoo bereiken wij samen het land waar die gouden vogel jubelt, véél hooger dan de leeuwerik. Zijn blik zal den booze bedaren; voor rotswanden zal hij de bazuin steken. Geen drek, geen tranen die ons stuiten, want ik zal waden en hij zit op mijn schouder.

En mocht ik ooit mijn lieve vrouw verliezen, dan trek ik naar Polen met pak en zak. Ik zal daar, als het moet, de boodschappen doen en de schoenen poetsen en voor Tsjip als een hansworst op mijn hoofd gaan staan. Want ik ben bereid afstand te doen van alles in ruil voor den ademtocht van dat jonge leven, voor den geur van die ontluikende roos.

No Comments

Leave a Reply